terug

 

 

door Jacquie & Serge BERNARD.

zie ook: Sermages- Aronesti 1989/1999

I - Op zoek naar de oorsprong van Sermages

II - De Romeinse aanwezigheid

III - De kerk van Saint Pierre, getuige van een groot deel van de geshiedenis van Sermages.

IV - De leengoederen van Villacot en Sermages.

V - Het slagveld en de molens.

VI - De buitenplaatsen: Moncey en La Vaudelle.

 

 

 

I - OORSPRONG VAN DE NAAM

In de loop der eeuwen vindt men de volgende namen: Sermaigues, Sermaiges, Sermagum, Sermagioe én verscheidene veronderstellingen betreffende de oorsprong van deze naam.

Sermaigues (in 1287) zou onder invloed van “aigues” (water) hebben kunnen ontstaan. Men kan ook een voorvoegsel uit de vóór-romeinse tijd herkennen: “sarm”, hetgeen verbonden is met “karm” (stoppelveld). Volgens deze verklaring zou Sermaigues dus een aanduiding van een ‘slecht terrein’ betekenen.

De abt Baudiau denkt in zijn geschrift “Morvand” (verschenen in 1865), dat Sermages afstamt van “Sarmates”. De Sarmaten waren  indo-iraanse stammen, die aan het begin van de christelijke jaartelling leefden in Zuid-Rusland. Deze stammen werden door de Romeinen gebruikt als ruiterhulptroepen.

De in het gehele gebied aanwezige Romeinen hadden een versterkt legerkamp ingericht, hetgeen door Sarmaatse ruiters bewaakt werd. Baudiau situeert dit kamp op de plaats van de tweede pastorie, op de hoek van de weg die naar de begraafplaats leidt (het grote huis met het in bourgondische kleuren gedekte dak).

Bij het onderzoeken van de betekenis van de plaatsnaam ‘Vandenesse’ baseert Victor Gueneau zich op de werken van Charleuf, die stelt dat het woord ‘Vandonissa’ (1) steeds te vinden is in samenhang met de tijdelijke verblijfplaats van Boïens (2) en Sermaten. Hij constateert dat de namen Vandenesse en Sermages (Sarmatica, Sarmace, Sermesse) steeds aanduidingen zijn van naburige plaatsen.

 

Omhoog

II - De Romeinse aanwezigheid.

De Romeinse aanwezigheid is aangetoond door de oude weg die van Château-Chinon, langs ‘Les Maillards’, naar Moulins-Engilbert loopt. Deze oude weg was breed, goed bestraat met keien en voorzien van waterbronnen langs het gehele traject.

Ook het recente werk van Dr. Olivier en Père Wable uit Dijon, gevoegd bij voorgaande studies, wijzen duidelijk op het belang van de gallo-romeinse wegen (die soms de gallische wegen vervingen of er stukken aan toevoegden) om Autun met Entrain-sur-Nohain te verbinden, of Decize met Bourges.

Men zegt dat Ceasar bij tenminste twee heroveringen, in 52 en 51 voor Christus, één van deze wegen gebruikt heeft.

Deze grote assen vertakten zich in talrijke secundaire wegen, welke vele gallo-romeinse woonplaatsen met elkaar verbonden. Meestal vallen deze oude woonplaatsen samen met onze huidige dorpen en woonkernen.

In de gemeente Sermages heeft men, afgezien van Villacot, waarvan de naam een romeinse vestiging doet vermoeden, alleen in de buurtschap Maison Neuve (gelegen tegen de grens met de gemeente Moulins-Engilbert) enige bewijzen gevonden van gallo-romeinse  aanwezigheid. Er zijn daadwerkelijk enige munten gevonden: drie sesterces en een denier, daterend uit de periode van Sabinius, Commodus en Antonius de Vrome (3). Ook de aanwezigheid van een bron, op de hoek van de huidige weg Château-Chinon – Moulins-Engilbert en de weg naar Saint-Léger de Fougeret doet denken aan een bewoonde plaats.

Noten:

(1)      Victor Gueneau: Nevers 1874.

(2)      Boïens: keltisch volk dat in het huidige Bohemen (republiek Tsjechië) woonde; vestigde zich tussen de Loire en de Allier in streken die grensden aan het gebied van de Eduen, waar zij handel mee dreven.

(3)      Sabinius is een van oorsprong gallische romeinse keizer uit de eerste eeuw na Christus. Verder worden genoemd: Antonius de Vrome (133-165), Commodus (180-192) en Gordius de Vrome (238-244). De munten met afbeeldingen van deze keizers zijn ondergebracht in het Gemeentelijk Museum te Nevers.

Omhoog

III – De kerk van Saint Pierre, getuige van een groot deel van de geschiedenis van Sermages.

 Pas in de middeleeuwen kunnen we het spoor van de geschiedenis van Sermages weer oppakken.

In de twaalfde eeuw wordt een romaanse kerk gebouwd. In deze periode werd een bepaalde belasting geïnd door de geestelijkheid van Moulins-Engilbert, terwijl in het gebied van Château-Chinon de leengoederen in de meerderheid waren.

Deze kerk (gewijd aan Saint Pierre en in de loop der eeuwen gewijzigd) is een getuigenis van een groot deel van de geschiedenis van de bewoners van Sermages; vanaf de verre twaalfde eeuw tot vandaag de dag.

In de vijftiende eeuw is in 1492 aan de noordzijde een kapel toegevoegd, geheel volgens de wens van de Heer van Varennes, Guillaume Sallonnyer. Hedentendage is Varennes een deel van Moulins-Engilbert, maar was vroeger (tot de Revolutie) één van de leengoederen van de familie Sallonnyer. Dit leengoed werd toegevoegd aan de bezittingen van de familie toen Guillaume Sallonnyer, bestuurder van Moulins-Engilbert, trouwde met Anne de Courtois. Het leengoed bestond in 1793 uit verschillende landgoederen, onder anderen La Vaudelle en Champ de Bataille.

In de zeventiende eeuw heeft een (onbekende) kunstenaar het kistje voor heilige olién gemaakt.Dit kon bij twee plechtigheden gebruikt worden: de doop en het laatste oliesel. Het is gedecoreerd met een klein kruis waar aan de uiteinden plantenmotieven te zien zijn en wat ingekaderd is met palmpjes. Een keurmerk is incompleet: 16.., bekroond met twee krullen. Een andere, later aangebrachte inscriptie heeft de eerdere cijfers uitgewist en vermeldt: “Constant 1806”.

Ongetwijfeld is dit de naam van de gever en de datum waarop deze inwoner van Sermages deze gift gedaan heeft aan de parochie.

De achtiende eeuw is vertegenwoordigd dankzij een gekleurd houten standbeeld van Saint-Blaise. Getooid met een bisschopsmijter geeft Saint-Blaise, met een volle krullende haardos en baard, streng kijkend zijn zegen.

Uit de negentiende eeuw resten ons het wijwatervat en de aardewerken doopvonten (Faïence de Nevers). Het blauwe wijwatervat, voorstellende Saint-Pierre, is door Antoine Montagnon gemaakt, die van 1889 tot 1899 gewerkt heeft. De doopvonten, die voorzien zijn van het beroemde ‘groene knoop’-kenmerk, tonen de initialen G.M., Gabriel Montagnon, die tot 1937 pottenbakker was.

Aan het begin van de twintigste eeuw, op 27 maart1906, was de kerk van Sermages overgeleverd aan de wil van de bewoners van Sermages, die zich verzetten tegen de inventarisatie van de kerkelijke goederen middels het oprichten van een barricade. Een foto, die nog als ansichtkaart te verkrijgen is, herinnert aan deze gebeurtenis.

Uit meer recente tijden kenne we een aanplakbiljet uit 1981, gemaakt  ter gelegenheid van de presidentsverkiezing. Hierop is de kandidaat François Mitterand te zien met op de achtergrond het dorp Sermages met de afgeknotte (en als zodanig verminkte) kerktoren.

Omhoog

   

IV – De leengoederen Villacot en Sermages

De leengoederen Villacot en Sermages zijn aan elkaar verbonden sinds de vroege veertiende eeuw, toen Alexandre de Villescot, edelman rond 1300 de eigenaar was. Een van zijn dochters is getrouwd met Jonkheer Letors (Le Tors), heer van Champcourt in de gemeente Moulins-Engilbert. De familie Le Tort heeft een lange lijn van opvolgers voortgebracht, allen op bevelvoerende posten: Jehan Le Tort is in 1390 minister van justitie van de Graaf van Nevers en tevens prevoost van Moulins-Engilbert.

In 1398 is Droin Le Tort voorgedragen als kasteelheer en in 1481 zien we dat Charles Le Tort, heer van Champcourt en Villacot, de bescherming geniet van de Graaf van Nevers. Deze gelast zijn officieren “er met zorg voor te waken dat hem niets hem in persoon of in goederen zal schaden”.

In 1550 is Pierre Le Tort, de afstammeling van Jeanne de Chaume, heer van Villacot, Sermages, Chaume (4) en Chevannes. Middels een verbond gaan deze bezittingen over op Claude de la Perrière om vervolgens door zijn dochter overgedragen te worden aan de Jonkheer Antoine de Bonnay. Deze brengt in 1641 een eerbetoon uit aan Château-Chinon voor deze nalatenschap.

Aan het einde van de zeventiende eeuw worden alle bezittingen toegekend aan de Ursulines van Moulins-Engilbert die daar in 1770 mee in stemmen.

Omhoog

V - Het slagveld en de molens

Ook al is er geen spoor meer te bekennen van het bestaan van de heren van Sermages en Villacot, is er toch een plek met een naam, die verwijst naar een historisch feit: de Champ de la Bataille.

Enige jaren vóór het huwelijk van Anne de Courtois en Guillaume Sallonnyer stonden op 20 juli 1475 de mannen van de Franse koning Louis XI, aangevoerd door de hertog van Bourbon, in een verschrikkelijk gevecht tegenover de troepen van Charles le Téméraire (Karel de Stoute), hertog van Bourgondië en graaf van Château-Chinon, onder aanvoering van de maarschalk van Luxemburg. Deze bloedige confrontatie, die 2000 doden eiste en 2000 gevangenen vond plaats in de periode dat Charles Le Port, die bescherming van de hertog van Nevers genoot, heer van Villacot was….

De voor het dagelijkse leven noodzakelijke molens werkten ook in Sermages al in de veertiende eeuw en ongetwijfeld al eerder.

De (water)molen van Villacot in de Guignon behoorde aan de familie Alexandre de Villescot en de aanwezigheid is vastgesteld in 1351.

De molen was gedekt met kleine houten plankjes en bezat in de achttiende eeuw een zaagbank (wat samenhing met de nabijheid van de bossen) maar er wordt zelden nog een spoor van gevonden. De molens, zoals de Maladrerie, zijn vóór de revolutie eigendom van de Ursulines uit Moulins-Engilbert. In 1926 is deze molen nog in vol bedrijf en, terwijl in deze periode het merendeel van de molens in het canton slechts werken voor hun eigen klanten, kan de molen van Villacot met zijn capaciteit van 18 kwintalen (= 1800 kilo) per dag een deel van de productie verhandelen.

Het water van de Guignon (aan de weg C1) zet de molen van de Bourg in werking. Gelukkig is deze de laatste jaren weer gerestaureerd en heeft als bijzonder kenmerk dat hij gedurende bijna driehonderd jaar aan dezelfde familie van molenaars (Balandreau) heeft toebehoord. In 1902 was de opvolger van molenaar Balandreau een schoonzoon en in 1938 nam een andere schoonzoon het roer over. Maar de molen werkt hedentendage niet meer ofschoon hij in goede staat is verklaard aangezien hij weer in werking gesteld zou kunnen worden na vier dagen voorbereidende arbeid.

Het bestaan van de watermolen van Foivre vóór 1700 is aangetoond, maar er is nu op de plaats van die naam geen spoor meer te vinden van een dergelijke activiteit.

Omhoog

VI - De leengoederen Villacot en Sermages

 Sermages kent geen feodaal kasteel, maar twee landgoederen, die als een kasteel zijn gebouwd op het bijbehorende grondgebied, Moncey en la Vaudelle.

Baudiau beschrijft alsvolgt het “castel” van Moncey: “omspoeld door de wateren van de Guignon, vormt het met de bijgebouwen een lievelijke heerlijkheid in het hertogdom Nevers”. Na eerst in het bezit van de familie Champ de Saint-Léger te zijn geweest gaat het omstreeks 1680 over in de handen van Jonkheer Gaucher de Champ Martin.

In de achttiende eeuw, in 1774, is Michel de Cotignon heer van Moncey. Net als de familie Le Tort hebben de Cotignons de geschiedenis van onze streek bepaald. De geschiedenis van de graaf van Soultrait gaat terug tot in de twaalfde eeuw. Omstreeks 1400 is Drouin Cotignon in Moulins-Engilbert minister van Justitie van de graaf van Nevers. In 1469 is Michel Cotignon slotvoogd van Moulins-Engilbert en in de zestiende eeuw wordt dezelfde functie bekleed door Henri Cotignon. In de vijftiende eeuw bezat de familie goederen in Sermages.

Het tweede kasteel van Sermages is la Vaudelle, gebouwd in 1810 en gelegen aan de weg van Sermages naar Mouniot. Voor die tijd bestond er al een landgoed, samengesteld uit vier gebouwen. Tijdens de Revolutie was dit in bezit van Simon Sallonnyer en zijn echtgenote Rose Charlotte Robert uit Varennes. Hun zoon Charles François, een handelaar en hartstochtelijk liefhebber van schilderijen (hij was tevens een verdienstelijk amateurschilder, die voor de kerk van Moulins-Engilbert het schilderij van Johannes de Doper heeft gemaakt) heeft het kasteel in de huidige vorm laten bouwen. Hij had twee dochters bij zijn echtgenote, Joséphine du Crest. Een van hen, Césarine, trouwde in 1834 met een edelman, Edouard de la Chesnaye, wiens familie zich oorspronkelijk in de zestiende eeuw vanuit Schotland in Frankrijk vestigde.

 Noten:

(1)     Chaumes: om welk “Chaume” gaat het? Er zijn 88 ‘Chaumes’ in Nièvre. Wij denken dat het gaat om het gebied van ‘Bois du Chaume’, liggend tussen Sermages en Moulin-Engilbert.

 Bibliografie

 Bovenstaande beknopte beschrijving is samengesteld met behulp van de informatie uit de volgende werken:

& Victor Gueneau: 1874: "Notes sur Vandenesse".

&  de Soultrait: 1879: "Armorial historique et archéologique de la Nièvre".

&  Abbé de Marolles: "Inventaire des titres".

&  Vallière: 1895: "Dictionnaire géographique et administratif de la Nièvre".

&  Baudiau: 1895: "Le Morvand".

&  Victor Moreau: 1904: "Moulins-Engilbert".

&  1978: "Les noms lieux de Bourgogne".

&  J. Daché: 1979: "Le canton de Moulins-Engilbert".

&  Révérend Père Wable: "Enquête sur les voies anciennes".

&  Docteur Olivier: 1983: "Le Haut-Morvan romain".

&  Philippe Landry: 1995: "Les moulins racontent le Morvan".

&  1983: "Richesses d'art en Morvan".

&  Hélène Bigeard: 1996: "La Nièvre".

Omhoog